Motorisch leren; enkele kenmerken

Motorisch leren is het proces van toenemende vloeiendheid, accuratesse en snelheid van bewegingen. Het steeds effectiever en meer efficiënte bewegen is van toepassing op complexe vaardigheden zoals op je fiets stappen en wegrijden, in bomen klimmen en pianospelen of meer eenvoudige vaardigheden als het gooien, vangen of stuiten van een bal. Motorische leerprocessen spelen ook een rol bij het bewaren van je evenwicht of het opvangen van een (bijna) val. Motorisch leren gaat over het steeds beter afstemmen van geleerde vaardigheden op de omgeving.

 

  

Kenmerken van motorisch leren

In het motorisch leerproces van toenemende vloeiendheid, accuratesse en snelheid is een aantal kenmerken te benoemen:

  • Hoe meer herhalingen hoe beter een vaardigheid beheerst wordt, oftewel oefening baart kunst. Dit verschijnsel staat bekend als de power law of practice.
  • De toename van het vaardigheidsniveau is te zien in accuratesse. De nauwkeurigheid gaat omhoog: de verhouding aantal raak en mis verandert. En er is steeds minder tijd nodig om de vaardigheid uit te voeren: de uitvoering verloopt sneller.
  • De bewegingen vergen steeds minder aandacht. Je kunt naast het uitvoeren van de beweging ook nog iets anders doen. Je kunt bijvoorbeeld een bal stuiten en om je heen kijken. Je kunt jongleren met drie balletjes en tegelijkertijd een praatje maken.
  • Naarmate de uitvoering meer nauwkeurigheid vraagt, zal de snelheid waarmee de beweging wordt uitgevoerd, weer lager worden. 

 

Serie artikelen

Voor het vakblad van leraren lichamelijke opvoeding schreven we een serie artikelen over spelen en bewegen met kleuters. We hanteren hierin een vijftal uitgangspunten:

  1. De LEER-kracht van het kind;
  2. Opstellingen met veel differentiatiemogelijkheden waarbij gevarieerd wordt in hoogte, breedte, lengte, hellingshoek en overstapmogelijkheden. Door de grote variatie kunnen kleuters zelfstandig aan de slag. Vrij spelend gaan kleuters op zoek naar eigen oplossingen voor beweegproblemen wat een competent gevoel geeft en het zelfvertrouwen vergroot;
  3. Het creëren van ontwikkelruimte - het spanningsveld tussen speelruimte en handelingsmogelijkheden - binnen alle domeinen op eigen tempo, niveau, interesses en leerstijl;
  4. Speelkriebels zijn te omschrijven als de betekenissen die het kind zelf aan een bepaalde activiteit geeft om daarmee op eigen manier vorm te geven en deel te nemen aan die activiteit. De speelkriebel is wat de bewegingsactiviteit maakt tot een activiteit waarmee het kind iets kan. Kinderen hebben en ervaren verschillende speelkriebels en komen verschillende dingen halen en brengen in de les.
  5. Aansluiten bij wat een kind wil en kan. Oog hebben voor de specifieke speelkriebels zorgt dat bewegingsactiviteiten beter gaan aansluiten bij wat een kind wil en kan. De activiteiten worden betekenisvoller en krachtiger. Er wordt een bewegingsomgeving gecreëerd waarin activiteiten meer gaan lukken.

 

Impliciet en expliciet leren

Recent is er een interessant artikel over expliciet en expliciet motorisch leren verschenen waarin deze uitgangspunten in vergelijkbare vorm terug zijn te vinden. Wil je komen tot een optimale vorm - effectief en efficiënt - van motorisch leren is het belangrijk, zo wordt vastgesteld, om gebruik te maken van het ‘zelflerend vermogen’. 

  • Het kind steeds meer betrekken bij zijn eigen leerproces. De eigen rol wordt hierin groter. Een mooi voorbeeld is dat wanneer je kinderen zelf het moment van feedback laat bepalen (zelfgestuurde feedback) dit leidt tot een beter leerresultaat in vergelijking met feedback gegeven op een moment dat het de leerkracht schikt.
  • Een wordt een hoge mate van zelfstandigheid van kinderen verwacht wordt voor (latere) deelname aan de bewegingscultuur. In de praktijk van het bewegingsonderwijs is hier zeker aandacht voor. Deze hoge mate van zelfstandigheid van kinderen is toe te passen op het arrangement, de uitvoeringswijze en de reguleringswijze.

De toegenomen betrokkenheid van een kind bij zijn leerproces heeft ook invloed op de rol van de leerkracht. In plaats van uitleggen, opdrachten geven en hulp verlenen kan de leerkracht nu een omgeving creëren waarin het kind zelf actief kan leren. Actief leren vindt plaats binnen een betekenisvolle en krachtige leeromgeving. Een omgeving die bestaat uit:

  • Arrangementen met veel aandacht voor differentiatiemogelijkheden, waarbij er veel ruimte is voor de inbreng en wensen van de kinderen;
  • Opstarten van een les waarin meerdere soorten van instructie worden toegepast, waarbij wordt aangesloten bij verschillende leervormen en leerstijlen;
  • Mogelijkheid om te experimenteren en de ruimte om tot eigen oplossingen te komen.

 

Overeenkomsten

De beide artikelen hanteren dezelfde rode draad. In de serie over Spelen en bewegen met kleuters wordt ingezoomd op het kader dat nodig is om het jonge kind tot optimaal leren te laten komen. Het artikel over impliciet en expliciet leren legt het accent op de benodigde didactische kennis en vaardigheden van een leerkracht gericht op verschillende vormen - zowel expliciet als impliciet - van motorisch leren. In het verlengde ervan wordt antwoord gegeven op de vraag welke didactische kennis een leerkracht nodig heeft om een motorisch leerproces optimaal te begeleiden.

 

Het vergroten van de vakdidactische kennis en vaardigheden op het gebied van impliciet en expliciet leren is belangrijk om een motorisch leerproces beter te kunnen begeleiden en sturen. Meer bewustwording over de verschillende manieren en mogelijkheden van motorisch leren zorgt ervoor dat de leerkansen op het gebied van bewegen voor alle kinderen in het basisonderwijs worden vergroot.

 

Klik ook het volledige artikel Expliciet impliciet leren in de les bewegingsonderwijs.

Reactie schrijven

Commentaren: 0