Blog - Spelen met gedrag

Wat maakt bewegingsonderwijs inspirerend - deel 2

Deze tweedelige serie gaat over inspirerend bewegingsonderwijs. In het eerste inleidende deel is aandacht besteed aan de verschillen tussen leerlingen. Dit tweede deel biedt handvatten en tools hoe om te gaan met de verschillen en nog beter in te spelen op de diverse beweegmotivaties.

Het belang van het respecteren en waarderen van verschillen wordt vanuit een drietal invalshoeken onderstreept: speelkriebels, modaliteiten en skill-willmatrix. Inspirerend bewegingsonderwijs geeft duidelijke en concrete handvatten die een bijdrage leveren aan het afstemmen van bewegingsactiviteiten en de manier van begeleiden waarbij tegemoet gekomen wordt aan de specifieke beweegwensen, belevingen en speelmotieven van kinderen.

 

Een speelkriebel is de betekenis die een kind geeft aan het materiaal of de bewegingssituatie. Het zorgt voor het op eigen manier vorm en inhoud geven aan een specifieke activiteit. De speelkriebel is wat de bewegingsactiviteit maakt tot een activiteit waarmee het kind iets kan. Kinderen hebben en ervaren verschillende speelkriebels en komen verschillende dingen halen en brengen in de les.

 

Oog hebben voor de specifieke speelkriebels zorgt dat bewegingsactiviteiten beter gaan aansluiten bij wat een kind wil en kan; een bewegingsomgeving wordt gecreëerd waarin activiteiten meer gaan lukken. De succeservaringen nemen toe, de bewegingsontwikkeling krijgt een ‘boost’ en de motivatie wordt vergroot. Veelal is dit de intrinsieke motivatie om meer te gaan exploreren en te experimenteren.

 

Modaliteiten

 

De manieren waarop een kind een spel of een bewegingsactiviteit beleeft en ervaart is een aspect dat de aandacht verdient. Het ene kind wil vooral 'vieren', het andere is voornamelijk 'sparrend' in een bewegingssituatie aanwezig. Weer een ander kind is meer 'lerend' of 'ontmoetend' bezig.

Deze modaliteiten zijn bij kinderen veelal herkenbaar aan dat wat het kind prettig vindt. Kinderen zoeken deze manier van deelnemen aan een activiteit op, zodra ze de gelegenheid wordt geboden hun eigen keus te maken.

Bij vieren gaat het voornamelijk om het ontspannen en moeiteloos bewegen. Speelsheid, herhaling en gemak zijn de kernwoorden. Een kind dat het bewegen vierend beleeft en ervaart vraagt om een rustgevende, uitnodigende en volgende leerkracht. Het gaat om het in vrijheid bewegen binnen ontworpen en gearrangeerde bewegingssituaties.

Voorbeeld: Deniz (groep 7) is aan het trampolinespringen. De hele gymzaal staat volgebouwd en de kinderen mogen zelf kiezen wat ze gaan doen. Deniz blijft springen. En als er even iemand anders wil, dan stapt hij er met tegenzin even af. Maar zodra de trampoline vrij is, staat hij er weer op. Poing, poing, poing. Het gaat maar door.

Bij sparren gaat het voornamelijk om het leveren van een inspanning om een (zelf) gestelde uitdaging aan het gaan. Sparren met je eigen krachten, sparren met het materiaal of sparren met je vriendjes. Een kind dat het bewegen sparrend beleeft en ervaart heeft behoefte aan een aanmoedigende, stimulerende, prikkelende en enthousiasmerende leerkracht.

 

Voorbeeld: Met een strakke blik loopt Gijs (groep 6) naar de achterkant van het schuin gestelde wandrek. Hij pakt het wandrek vast en probeert al hangend naar boven te klimmen. Het kost moeite maar Gijs geeft niet op. Hij glundert van oor tot oor als hij uiteindelijk achterstevoren boven aan het wandrek hangt.

Bij leren gaat het om het verwerven van bewegingsvaardigheden, om het opdoen van motorische vaardigheden. Het gaat hier om het gevoel een vaardigheid of truc onder de knie te willen krijgen. Het oproepen en zoeken van de zone van de naaste ontwikkeling is hiervoor een goede conditie. Een kind dat het bewegen lerend beleeft en ervaart vraagt om een structurerende, sturende en leidende leerkracht.

 

Voorbeeld: Mustafa (groep 1) is een paar weken geleden op school gekomen en probeert nu met een bezweet en serieus gezicht de bal over de bank te rollen in de mand. Steeds maar weer en steeds ernaast. De juf ziet wat er gebeurt en loopt naar hem toe. Mustafa stopt met rollen en kijkt verwachtingsvol naar de juf. Ze gaat hem vertellen hoe het moet, hoe het nog beter gaat lukken. Mustafa glundert.

Bij ontmoeten gaat het om het tegenkomen van de ander, het andere (het materiaal) of jezelf. Kenmerkend is het zoeken naar en bewegen op de grens van het vermogen van de deelnemer en het materiaal. Een kind dat het bewegen ontmoetend beleeft en ervaart heeft behoefte aan een uitnodigende, vragende en uitlokkende leerkracht. Gedifferentieerde verkenningsmogelijkheden binnen ontworpen en aangeboden bewegingssituaties is een belangrijk kenmerk voor kinderen die ontmoetend de wereld beter leren kennen.

Voorbeeld: Gabriel (5 jaar) vraagt aan Maartje of zij met hem wil gaan overgooien. Maartje vindt dit oké. Samen proberen ze de bal over te gooien. ‘Anders doen’, zegt Gabriel. Nee, zegt Maartje, ‘zo doen’. Kwaad gooit Gabriel de bal ver weg en loopt stampvoetend naar de bank en gaat zitten. ‘Dan doe ik niet meer mee!’, roept hij Maartje na.

Aansluiten en verbinden

Als professional wil je graag aansluiten bij de beleving en verwachting van de kinderen. Door oog te hebben voor de verschillende modaliteiten waarmee de kinderen aan de activiteit deelnemen, heb je als leerkracht een effectieve ingang om aan te sluiten bij de verwachting en beleving van kinderen en deze te verbinden met de specifieke kenmerken van bewegingsactiviteiten en - arrangementen. Op deze manier ontstaan er goede mogelijkheden kinderen verdiepend te prikkelen en uit te dagen.

Skill-Willmatrix

Deze bekende matrix bewijst in vele contexten goede diensten. Zo ook binnen het onderwijs in bewegen. Het biedt een manier van kijken die zorgt voor meer focus en aandacht voor wat kinderen kunnen en willen en dit meer en beter op elkaar wordt afgestemd.

Bij kunnen gaat het specifiek om capaciteiten, persoonlijkheid en andere kindkenmerken. Als een kind in bewegingssituaties kan aansluiten op zijn natuurlijke talent heeft hij het gemakkelijk en vindt het kind het veelal leuk. Competenties worden ontwikkeld binnen de grenzen van aanleg. Willen rekt die grenzen flink op. Door kinderen aan te spreken en uit te dagen in hun zone van naaste ontwikkeling, wordt het gevoel van mee kunnen komen behouden en de ervaring van ‘dit kan ik’ gekoesterd.

Bij willen gaat het om persoonlijke drijfveren en interesses van kinderen. Bij welke uitdagingen en speelkriebels vinden ze aansluiting in het bewegen. Wat is er voor hen te halen? Welke speel- en beweegkriebel kunnen ze vinden? Als er wat te halen valt, neemt de motivatie en de betrokkenheid toe. Hoewel het soms niet direct duidelijk is te achterhalen wat een kind precies wil, is het zeker de moeite waard om te blijven zoeken.

Motivatie blijkt meer samen te hangen met kunnen dan met willen.
De gangbare mening is dat de motivatie toeneemt als, op basis van realistisch gestelde doelen, successen wordt behaald.

Waar willen en kunnen elkaar vinden, komt een kind het meest tot zijn recht.

Vakinhoudelijke principes

Met het introduceren van speelkriebels, modaliteiten en de skill-willmatrix wordt een groot accent gelegd op het persoonlijke ervaren en beleven. Door de bewegingsuitdagingen van de leerlijnen en bewegingsthema’s te verbinden met deze meer persoonlijke aspecten ontstaat een krachtige vakinhoudelijke combinatie.

  • De eigenschappen van het kind, de zogenoemde leerlingkenmerken, waaronder de speelkriebel, de modaliteit en de wijze waarop de bewegingstaak wordt ervaren en beleeft, beïnvloeden elkaar.

  • Een verbinding met methodische principes en didactische uitgangspunten is steeds gericht op het uitdagen en inspireren van de leerling tot het verbreden en verdiepen van de bewegingservaringen.

  • Het zoeken naar persoonlijke beweegoplossingen biedt mogelijkheden om op eigen wijze te leren en meer tegemoet te komen aan speelkriebels en modaliteiten.

Beleven van het succes

Het accent op lukken, het beleven van succes, dat met moeite en inzet is behaald, zorgt voor extra motivatie. Intrinsiek gemotiveerd gedrag en eigenaarschap zijn de smeerolie voor effectief leren in bewegingssituaties.

En zijn dit nu niet precies de elementen waar het bij inspirerend bewegingsonderwijs om draait? Je verbinden met het kind, aansluiten bij de speelkriebel en modaliteiten en daarna vanuit vakinhoudelijke principes essentiële informatie en bewegingskennis toevoegen.

De school en daarmee het bewegingsonderwijs vormen bij uitstek de plaats om kinderen en jongvolwassenen te inspireren en beter te leren bewegen. Gezien het grote belang dat wordt gehecht aan bewegen en het onderwijs in het bewegen is dit een uitdaging die de moeite van het aangaan zeker waard is.

Bewegingsonderwijs wordt inspirerender door nog meer af te stemmen op de belevingen en beweegmotieven van deelnemers. Voor de (nabije) toekomst biedt dit een grote kans op een zinvolle en actieve lifetime beweeg- en sportbeleving.

0 commentaren

Wat maakt bewegingsonderwijs inspirerend?

Bewegen kan leuk en uitdagend zijn; goed voor lijf en leden. Zelfs stimulerend en inspirerend. Wat maakt nu dat deze termen met een zekere regelmaat worden verbonden aan het bewegen en daarmee aan het onderwijs in dit bewegen?


In deze tweedelige serie ligt de focus op de beweegmotivatie van leerlingen en hoe
met je eigen handelen je hierop kunt inspelen.

Waarop leg je accenten leggen zodat iedere leerling aan bod komt? Hoe kun tijdens bewegingslessen recht doen aan de grote diversiteit van motieven, belevingen en beweegredenen van kinderen en jongvolwassenen?

Zo maar enkele vragen.....

Laten we eens inzoomen op dat onderwijs in bewegen; wat komt er allemaal kijken bij het geven van bewegingsonderwijs?

  • De verschillen tussen de deelnemers zijn divers. Hoe zorg je dat er voor iedereen voldoende te halen,
    te ervaren en te beleven is?
  • In het bewegen spelen gevoelens van competentie, autonomie en verbinding met anderen een belangrijke rol; 
    hoe organiseer je dit?
  • De beweegredenen om deel te nemen aan bewegingsactiviteiten zijn heel verschillend en lopen nogal uiteen.
    Hoe krijg je dit bij elkaar en welke accenten leg je?

Persoonlijk ervaren en beleven

De uniciteit en de eigenheid van een kind komt naar voren in de wijze waarop het deelneemt aan een bewegingsactiviteit. Ieder kind, hoe jong ook - kleuter, basisschoolkind of een leerling in het voortgezet onderwijs - komt met een unieke en persoonlijke bewegingsgeschiedenis naar de gymles. Elke kind beleeft en ervaart op zijn eigen en unieke wijze de bewegingsactiviteiten.

Elk kind heeft een eigen leertempo, eigen interesses, eigen beweegniveau en een eigen stijl van leren.
Deze vier EIGENs vragen een gedifferentieerd aanbod van bewegingsactiviteiten.

Speelkriebel

De unieke en persoonlijke leergeschiedenis, de eigen en persoonlijke manier van in een leerproces staan, samen met de vier EIGENs, leiden ertoe dat ieder kind iets persoonlijks heeft met de aangeboden bewegingsactiviteiten; de zogenoemde speelkriebel. Speelkriebels zijn te omschrijven als de betekenissen die het kind zelf aan een bepaalde activiteit geeft om daarmee op eigen manier vorm te geven en deel te nemen aan die activiteit. De speelkriebel is wat de bewegingsactiviteit maakt tot een activiteit waarmee het kind iets kan. In de praktijk van het bewegingsonderwijs betekent dit concreet dat er binnen de verschillende bewegingsactiviteiten en arrangementen voor een ieder steeds ‘iets te halen’ en te beleven moet zijn.

Respecteren en waarderen van verschillen

Hoe kun je recht doen aan al die verschillende motieven, belevingen en beweegredenen van de deelnemers? Hoe zorg je dat er een ieder voldoende te halen, te ervaren en te beleven is?

Het respecteren en waarderen van de verschillen tussen de deelnemers zal het uitgangspunt dienen te zijn. Het gaat om een manier van kijken waarbij kinderen, hoe jong of oud ook, worden gezien als een unieke verzameling van mogelijkheden.

  • Centraal staan: het uitbreiden van bewegingsmogelijkheden van kinderen, het leren omgaan met onderlinge verschillen en deze verschillen inzetten ten behoeve van een overkoepelend belang: de gezamenlijkheid, ‘wij zijn een groep’;
  • Het doel van het bewegingsonderwijs ligt in het (verder) ontwikkelen van bewegingscompetenties en het bevorderen van de gezamenlijkheid.

Dit in tegenstelling tot homogeniserend bewegingsonderwijs, waarbij het gaat om het ‘wegwerken van verschillen’.

  • Het (nog) niet-kunnen staat centraal;
  • Het kind wordt gezien als een verzameling van tekorten;
  • Het doel van het bewegingsonderwijs ligt in het wegwerken van individuele tekorten en de verschillen tussen de leerlingen.

Uiteraard is deze polaire tegenstelling enigszins gechargeerd. Het neemt niet weg dat deze verschillende accenten zeker te herkennen zijn je kijkt naar verschillende bewegingslessen. Helder zal zijn dat als we recht willen doen aan de verschillende motieven, accenten en bewegingsbehoeften van kinderen, we aansluiten bij de zienswijze die uitgaat van het respecteren en waarderen van individuele verschillen.

Hoe dit concreet wordt en praktisch handen en voeten krijgt in de zaal, daarover gaat het tweede deel van deze serie.

0 commentaren